Elfnovembergroep Groupe du Onze Novembre Français

Vluchten: wat mensen vertelden

Louise Parmentier

"Vluchteling", 't is maar een rare naam

Ik ben vroeg mijn ouders verloren. Mijn vader stierf toen ik tien jaar was en mijn moeder is dood acht jaar later. Ik had nog een broer, die twee jaar jonger was dan ik. Toen de oorlog uitbrak, was ik negentien jaar. We boerden op een hofstee in Wulvergem, mijn jongere broer en een nonkel, die nooit getrouwd was, en ik. Wij drieën zijn heel de oorlog samen gebleven. Ik had nog drie oudere broers, maar die moesten alle drie soldaat zijn. In het begin van de oorlog zagen we alle soorten soldaten passeren. Duitse, Franse, Engelse. Belgen ook. Wij hadden veel hennen, maar we konden de eiers niet meer verkopen of kwijtraken aan een opkoper. Veel mensen vluchtten toen de beschietingen begonnen. Ik roerde eiers voor de soldaten. Ze moesten eten hebben. Je kon beter het eten weggeven dan het te laten rotten. Ik roerde eiers voor de Belgen en voor de Fransen en de Engelsen. En ook voor de Duitsers. Zij waren onze vijand, maar wat kon je doen? In je hart moest je ze niet hebben, maar als je neen gezegd had, dan hadden ze het zelf wel gepakt. Je kon daar niet tegen op. Sommigen, die weerspannig waren, werden door de Duitsers weggevoerd. Op een trein gestoken. Waar naartoe? En dan, wat ben je dan?

Marie Lacante

“De uitverkoop”

Wij zijn in Ieper gebleven tot de vijftiende mei van het jaar 1915. We hebben de Duitsers Ieper zien binnenkomen. Allemaal zulke grote mannen te paard en met kanonnen mee. De mensen durfden niet buiten gaan, iedereen bleef binnen. Maar ze deden ons niets. De Duitsers zijn weggegaan uit Ieper en toen kwamen de Fransen. En daarna de Engelsen, alle soorten. We hebben maanden tussen de soldaten gezeten. ‘s Nachts kwamen de Franse soldaten eten maken in ons huis om weg te voeren naar het front. En wij mochten daarvan eten zoveel als we wilden. We hadden geen eten te kort. Maar we moesten elke week een inspuiting krijgen tegen de ziekte van de soldaten. Er waren hier ook van die zwarte soldaten die zo stonken, Senegalezen. Een rare soort, en wij zaten daartussen. En ‘t was gevaarlijk. We zaten alle dagen in het geschut. Eerst schuilden we in de kelder van de brouwerij, maar we moesten daar weg omdat ze Franse soldaten binnen brachten, die gepakt waren van het gas. Dan in de kelders van de kazematten. En toch niet willen weggaan! We zijn wel honderd keren tot aan de Markt gegaan met het gedacht te vluchten, maar dan verminderde het schieten weer en mijn moeder zei:’ ‘t Is over,’ en we gingen weer naar huis. ‘t Is waar, hoor! Maar in mei van 1915 moesten we weg van de gendarmen. We zijn dan te voet naar Vlamertinge gegaan en daar op de trein. Mijn zuster en ik hadden elk een pakje mee met eten, maar we zijn het onderweg verloren in het donker. Er was nergens licht. Zo hadden we geen eten meer. Ik weet niet waar we beland zijn, maar ‘t was alleszins dicht bij een zeehaven. We werden daar in een gebouw gestoken, het vrouwvolk aan de ene kant en het mannenvolk aan de andere kant. We gingen eten krijgen, maar we hebben daar twee dagen gezeten zonder eten of drinken. ‘t Is waar, hoor! En we waren juist een uur weg uit Ieper toen ons huis in brand geschoten werd. Dat moest ook juist passen. Ja, ja, we hebben erin gezeten, hoor, in die oorlog. We wilden niet mee met een schip. Er waren al schepen met vluchtelingen in de grond geboord en de mensen durfden niet meer meegaan met een schip. Mijn tante is met een schip weggegaan. Naar La Rochelle. Dat was een zeehaven. Twee van haar kinderen zijn dood op dat schip. Ze smeten ze over boord in ‘t water. Zonder iets. Alzo, boef, in ‘t water. Wij zijn vertrokken met zo’n ouderwetse trein, door de Pas de Calais tot in de Normandie. Van de ene plaats naar de andere. Ik kan mij de namen van al die plaatsen waar we voorbijkwamen niet meer herinneren. Veertien dagen aan een stuk hebben we op die trein geslapen, gegeten en gescheten. Nu en dan stopten we ergens op de buiten, de mensen moesten toch hun water maken. En dan smeten ze van die broden om te eten, die zo zuur als azijn waren. Er waren mensen die dat niet konden binnen krijgen. Ja, toen was het slecht voor ons. In de Normandie moesten we "gelost" worden. We werden daar naar een marktje gebracht waar alle soorten karretjes met ezeltjes stonden. We werden daar uitgekozen juist lijk dat we verkocht werden. Mijn vader en mijn moeder moesten meegaan naar een hofstee om daar te werken. Mijn vader moest met de paarden rijden en hij had nog nooit een paard in zijn handen gehad. Mijn zuster en ik moesten alleen in een bakkerij gaan werken. Stel je voor, twee kinderen alleen bij vreemde mensen en je verstaat ze niet. We zaten in Ieper altijd tussen al die Engelsen. We kenden wat Engels, maar we kenden geen Frans meer. Na twee dagen zijn we weggelopen !

Georges Deconinck

“Alles zat vol.”

In Reningelst, alles zat vol vluchtelingen. In al die kleine huisjes, mensen van Mesen, Wijtschate, Kemmel, Waasten, Hollebeke. Al wie hier iemand kende of peinsde dat hij iemand kende, kwam af. En wie niemand kende, moest ook weg van zijn huis. Iedereen moest weg. En ze peinsden allemaal dat het maar voor veertien dagen zou zijn. De ene bleef hier, de andere bleef daar. En het moest geen huis zijn, alles wat kotje was of stalling, zat vol.

Er was in die tijd veel hout om een beetje vuur te maken en het Engels leger had eten in overvloed. Zo was er ook eten voor de vluchtelingen. Maar op het einde van 1914, begin 1915 brak de tyfus uit. Verschillende mensen zijn daarvan doodgegaan. Dat was ook te verstaan. De hygiëne liet veel te wensen over en het was overbevolkt, overbevolkt. Het is de overbevolking die de plaag inbrengt. We kunnen dat vergelijken met de myxomatose bij de wilde konijnen. Als er te veel konijnen zijn, dan komt de plaag daarin. En met de mensen is dat ook zo: te veel volk dat samentroept en de hygiëne die te wensen overlaat. Veel mensen waren uit hun huis gevlucht met alleen de kleren die ze aanhadden en misschien nog een klein pakje mee. Gelukkig dat de soldaten, vooral de Engelsen, proper waren en regelmatig van kleren moesten veranderen. Er waren vluchtelingen die er bijna naakt bijliepen als ze een keer hun hemd of hun kleren wasten. En twee dagen daarna waren ze weer opgegeten van de luizen.

Marie Brutsaert

“Die al gevlucht waren”

In de tweede helft van oktober ‘14 kwamen er veel vluchtelingen toe in Westouter, van Passendale, Moorslede, Zonnebeke, Ieper. Velen trekken verder, Frankrijk in. Zaterdag 31 oktober wordt er geweldig geschoten. De dag daarna, Allerheiligen, een hele stoet vluchtelingen van Dikkebus, de broer van mijn vader en heel zijn familie met paard en kar, de zusters van mijn moeder, die al met hun familie bij hen gevlucht waren, uit Langemark, mensen van Wijtschate die ook al gevlucht waren, ook met paard en wagen. We waren samen met vijfenveertig mensen om te overnachten. De achtentwintigste van november kwam er bij die vluchtelingen een meisje ter wereld en het is gedoopt in de kerk de eerste december, met Sint-Elooi. Ik ben meegeweest naar de kerk. Drie weken later werd  in een ander gezin, dat ook bij ons was, een vijfde zoontje geboren. Het was koud. Het waren slechte wintermaanden.

Camille Casteele

“Als je buiten zijt, je zijt buiten”

De achttiende of de negentiende april van ‘t jaar ‘18 ben ik moeten vluchten. Van Nieuwkerke naar Loker, dan naar Watou. En dan tot in de Calvados, in de Normandie. Te voet, met de paarden mee. Naastenliefde, 't staat zo in de catechismus. Maar op de vlucht, dat bestond niet. Buiten slapen in openlucht, van de eerste nacht dat we weg waren. Eerst in Loker, dan in Watou. Ik ben negenentwintig dagen onderweg geweest. En ik ben in die negenentwintig dagen niet één keer een teugje warm drinken of een beetje eten gepresenteerd geweest. Ja man, als je een keer buiten zijt, je zijt buiten. Zolang dat je onder de baan was, dat je vluchteling was, kon er niemand iets voor je doen. Als we ginder in de Calvados waren, die mensen peinsden dat we weggegaan waren uit ‘leute’, voor ons plezier. ‘Ce sont des émigrés,’ zeiden ze. Er waren eens twee, drie mannen die opkwamen. Ik hoorde ze weeral bezig van die émigrés. Ik doe teken aan mijn broer Henri dat hij moet stoppen. Ik zeg tegen hen: ‘Qu'est-ce-que ça veut dire un émigré?’ 'k Zeg, ik ga eens kijken wat ze nu gaan zeggen en ze wisten niet wat antwoorden. Zij dachten dat wij uit liefhebberij rondliepen. Verdomme.

André Houwen

“De grond daverde onder mijn voeten”

In oktober 1917 ben ik naar het college van Veurne gegaan. Ik zeg het college van Veurne, maar dat was niet meer in Veurne. We kregen les een beetje buiten Bulskamp, in barakken. Ik was daar de enige die zo ver woonde en ik kon niet naar huis komen, zoals de anderen die op het einde van de week naar huis gingen.

In april 1918 was het grote offensief van de Kemmelberg bezig. Van het college hadden ze iedereen al naar huis gezonden. De veertiende van april sta ik rond elf uur heel alleen op de koer van het college. De leraars waren weg. Ik denk dat ze in de kelders van het oudemannenhuis gelopen waren. Ik sta daar en ik weet niet wat ik moet doen. Ik was toen bijna veertien jaar. Ik wist hoe ik van Bulskamp naar de Brezende, langs de baan Veurne-Ieper, moest gaan. We hadden daar nog een wandeling gedaan met het college. En ik wist ook van maten uit het college hoe zij van de Brezende naar huis gingen, eerst tot Oost-Vleteren en dan naar West-Vleteren. Ik rond elf uur weg, met mijn capuchon aan. Dat was een soort kapmantel. Wij hadden toen geen overjassen, dat bestond niet. In de winter droegen we een wollen trui en een capuchon. Van de Brezende tot aan Oost-Vleteren ben ik zeker zeven of acht keer in de gracht gesprongen voor de bommen. En, verdimme, ze floten en ze schuifelden, hoor. Ik durfde niet meer verder gaan. In een gracht ga je nog niet rap doodgesmeten worden.

Ik kom in West-Vleteren bij mijn maat. Zegt hij: ‘Eet hier een boterham.’ Het was dan al rond drie uur. Ik weer weg. Ik mocht een eindje op een hondenkar zitten en dan verder te voet naar Poperinge. Ik kom in de Veurnestraat en daar is een oud vrouwtje. ‘Mannetje,’ zegt ze, ‘Je mag niet verder gaan. Hoor een keer hoe ze schieten op de stad.’ Ik ben nog een half uur tot drie kwartier bij haar gebleven. Zegt ze: ‘Ventje, ben je benauwd?’ Ik zeg: ‘Het gaat nog.’ ‘Je moet rap lopen,’ zegt ze, ‘ik hoor nu niets.’ Ik te lope weg en als ik op de Markt kom aan “Oud Vlaanderen”, wil ik langs dat kleine straatje gaan. Er valt een bom en heel het dak van een huis stort in. Ik ben nog maar juist aan Sint-Bertenskerk of kraak, er valt weer een bom. Aan het college nog een. Ik daverde op de grond.

Als ik hier in Reningelst aan mijn straat kwam, kon ik niet meer gaan. Ik heb me dan maar in de gracht gezet om een beetje op adem te komen. Als ik rond zeven uur thuiskwam, zeiden ze: ‘Hoe? Ben jij daar nu?’ ‘Ha ja, wat moest ik ginder alleen doen? Heel de weg zat ik in de bommen.’

Dan is het niet meer gestopt en twee dagen later, de zestiende van april, zijn we allemaal samen naar Frankrijk gevlucht.

Julie Cattrysse

“Nooit slechter dan als je vlucht”

Op een nacht kwamen er Belgische soldaten. Ze sliepen in de Veldschool. Ze lagen er met een hele compagnie, die achteruit vluchtte. Dan kwamen de trams. De tram van Brugge naar Leke kwam door Aartrijke, maar er kwamen ook trams van elders.

Trams met vluchtelingen, met soldaten, met mensen die achteruit wilden, met munitie en materiaal van ‘t leger. ‘s Nachts hoorden we de ene stoomfluit na de andere van die trams. Mijn moeder lag hele nachten wakker van dat lawaai. Ze was om haar dood te halen van schrik en ze wilde ook weg. Ik weet nog dat er ook bij ons Belgische soldaten sliepen, één ervan had verschrikkelijk zeer in zijn tanden.

Moeder zei: ‘Ik wil alleszins niet bij den Duits zijn. Hij gaat ons uitmoorden.’ ‘Vrouwmens,’ zei die soldaat, ‘waar zou je lopen met zulk een bende kinderen. Hoe slecht het ook gaat, het kan nooit slechter gaan dan als je vlucht. Blijf waar je zijt.’ We zijn de hele oorlog op 't Veld gebleven.

Maria Govaere

“Madame was muzikante”

lk was bijna achttien jaar als we moesten wegvluchten van Ardooie. Ik was al twee jaar in dienst bij madame van de notaris. Eigenlijk was ik meer een “gezelschapsjuffrouw” dan dat ik “diende”. Madame ging veel weg en ik mocht dan mee met haar, naar Oostende, naar de grote Wereldtentoonstelling in Gent in het jaar 1913. Madame was ook zeer muzikaal aangelegd. Ze speelde op een groot orgel, zo een met pedalen en twee klavieren. En ze schreef ook zelf muziek en ze liet dat dan verbeteren door Edgar Tinel. Die was heel bekend in die tijd, ja, natuurlijk niet zo bekend als Bach of zo, maar toch, het was een heel goede musicien. Ik denk dat hij van ergens rond Gent was. Madame schreef vooral kerkmuziek, voor de mis en het lof en zo. Ze leerde mij en nog een paar andere meisjes viool spelen ook en in de kerk moesten we zingen. Die muziek moest simpel zijn, want wij moesten kunnen meespelen op de viool en we waren toen toch nog maar 16, 17 jaar. Op een zeker moment in '14 kwamen er vluchtelingen toe van Dinant, veel vluchtelingen. Mijn madame had ook een meisje, dat op de vlucht was, in huis genomen. Op zekere dag zagen we aan de kerk van Ardooie Duitse soldaten, een stuk of vijf, zes met een helm met een pin op. Het eerste wat de soldaten deden was paarden pakken in de grote weide achter het huis van de notaris. Waar die ulanen zo plots vandaan kwamen, weten we niet. 't Schijnt dat ze kwamen van de kanten van "’t Veld" in Ardooie, van Meulebeke of van die kanten ergens. Opeens stonden ze midden in het dorp. De mensen hadden allemaal erge schrik, dan zijn er veel weggegaan. Ook mijn madame was zeer benauwd. Zij wilde weg. Van Ardooie zijn we vertrokken met de tram naar Brugge, vandaar naar Knokke. Eerst zijn we in een bakkerij geweest voor enkele dagen. Daar zijn we weggegaan. Ondertussen waren wij met madame een kruiwagen gaan kopen voor veel geld. Wij hebben er al ons goed opgeladen. Er was nog een madame van een dokter van Ardooie die ook mee was met de kinders, die af en toe ook op de kruiwagen zaten. En dan al die muziekpartituren. 'k Had het allemaal in de gracht kunnen wippen, die muziekbladen wogen zoveel en dan had madame nog drie of vier pelsmantels mee. Dat moest allemaal gevoerd worden naar Sluis. Dat was lastig, maar ja, als je zeventien of achttien jaar bent, voel je dat zo niet. Toen werden we op een bietenwagen gestoken. Ze doen daar veel in bieten vooraan in Holland. Die gaan dan naar Breskens, hé. Van Sluis zijn wij op van die grote wagens, die anders bieten vervoeren, naar Breskens gevoerd. Onze schoenen waren vol modder die op de wagen lag. We zijn dan teruggekeerd van Breskens - want we waren een uur te ver gegaan - naar Schoondijke. Daar zijn we gebleven tot in het jaar '15.

Florent Denuwelaere

“Naar Frankrijk”

In het voorjaar van ‘18 is het allemaal veel moeilijker geworden. De Duitsers moesten en moesten de Kemmelberg hebben. Ik weet niet hoe dikwijls ze in één nacht de Kemmelberg gepakt en weer verloren hebben. Voor onze deur waren de Engelsen bezig met tranchees te maken voor het voetvolk en de kanons schoten al over ons huis van een half uur ver. Op een dag kwam er een officier af. ‘Vader,’ zegt hij in 't Engels, ‘nog niet gevlucht? Je gaat moeten vluchten. Ik zou weggaan.’ Maar ja, we stonden met beesten, we hadden geiten en konijnen. En heel de zolder lag vol graan. En moeder - ja, we waren het wel verwachtende dat we misschien gingen moeten vluchten - moeder had een hele oven brood gebakken, dertien broden van elk vier pond. Dertien keer twee kilo. Zesentwintig kilo… Al die broden in een deken en ik daarmee te voet van Reningelst naar Proven. Je moet niet zeggen, op de baan. Je kon niet. De Engelsen trokken achteruit en de Fransen trokken vooruit naar Kemmel en in het midden van de baan de gekwetsten van de Kemmelberg. De eerste april zijn we naar Frankrijk gevlucht naar de Puy de Dôme - dat is een grote vuurberg - tot tegen Clermont-Ferrand, met heel onze bende, vader, moeder en tien kinders. Alleen de oudste, onze Maurice niet. Die was soldaat. Ze zeiden: ‘De zotten gaan weg. ‘t Is één april.’ In Poperinge kon je niet meer weg met de trein, dat was gedaan. We moesten naar Proven. Te voet. In Proven hebben we een nacht in de school geslapen. Al stro en vluchtelingen die daar waren. 's Anderendaags, wij op de trein. Ik kan niet meer zeggen hoe laat, maar de trein reed zonder licht, en nu en dan moest hij stoppen, we reden te dicht van het front. Waar we juist gepasseerd zijn, weet ik niet. We zijn in Rouen uitgekomen en daar hebben we geslapen in een grote loskaai waar de soldaten ook sliepen. Dat was bij de spoorweg. Onze reis tot in Rouen hebben we niet moeten betalen. Vluchtelingen, hé. Vader was graag naar de Calvados gegaan omdat dat een boerenstreek was. Je kon in de Calvados geraken, maar je moest je trein zelf betalen, van Rouen tot ginder. Je mocht dan mee met een reizigerstrein. Maar wij konden dat niet betalen, met heel onze bende. Wij reden met beestenwagens, en dat was eigenlijk nog het beste, je kon daar liggen en slapen, in een reizigerstrein kon je niet slapen, je zijt daar met te velen. Wij sliepen op de dingen die we mee hadden.

Henri Demey

“Je blijft een vreemdeling”

Als je ergens toekomt als vluchteling, het eerste jaar dan is alles opperbest. De mensen hebben compassie. Ze weten dat je alles hebt moeten achterlaten. Maar het komt dat ze je te wel gewend geraken en de liefde vermindert gedurig. En op de duur, op het einde van de oorlog, zeiden ze: ‘Keer maar terug.’ We hebben het daar goed gehad, maar toch… Je blijft altijd een vreemdeling. Overal waar je gaat, ben je een vreemdeling.